Een van de mensen die zich in de negentiende eeuw intensief bezighield met mineralen in het menselijk lichaam was dr. Wilhelm Heinrich Schüssler. Zijn onderzoek heeft geleid tot de ontwikkeling van een eigen geneeswijze, die werkt met de mineraalzouten (celzouten) zoals die in het lichaam aanwezig zijn.

Dr. Schüssler was een homeopathische arts. Hij zocht naar een eenvoudige geneeswijze en ging daartoe storingen, die wij ziektes noemen, grondig onderzoeken. Hij ontdekte dat de meeste ziektes op een tekort aan mineraalzouten terug te voeren zijn. En wel op een heel specifiek tekort: een tekort binnen in de cel. Schüssler kwam tot het inzicht dat de gezondheid van de cel en daarmee de gezondheid van het lichaam ontstaat door het aanvullen van deze tekorten. Hij ging zelfs verder: “Om schade te voorkomen en om de celzouten direct opneembaar voor de cellen te maken, moeten ze gepotentieërd (verdund) worden”.

De celzouten volgens dr. Schüssler bevatten zodanig verdunde (verwreven) mineraalzouten dat ze direct door de cel opgenomen kunnen worden. Mineraalzouten, die onverdund gegeven worden, kunnen voor het lichaam een belasting vormen, zoals b.v. geconcentreerde calcium-, magnesium- of ijzersupplementen. Als deze te lang worden ingenomen kan dit mogelijk leiden tot ongewenste bijwerkingen, omdat het lichaam de stoffen niet goed kan verwerken en deze b.v. in de vorm van nierstenen afzet. Verdunde mineralen echter kunnen door het lichaam zonder problemen in de cellen worden opgenomen. De celzouten kunnen door uiterst kleine openingen in de celwand heen. Door de verdunning is het bovendien onmogelijk om teveel van deze mineralen binnen te krijgen. Ze kunnen direct worden opgenomen in de cel en hoeven niet door het proces van de stofwisseling. De aanvulling van de tekorten is het belangrijkste werkingsprincipe. De mineraalzout moleculen kunnen, omdat ze in de melksuiker als afzonderlijke moleculen beschikbaar zijn, direct door het lichaam opgenomen en gebruikt worden.